Door Frank , 8 oktober 2026

Het Amerikaanse economische model kraakt - het einde van de hegemonie

 

Einar Tangen en Glenn Diesen

Door Frank Dumon

De wereldorde die na het einde van de Koude Oorlog ontstond, begint zichtbaar te barsten. De Verenigde Staten beschikken nog altijd over een ongeëvenaarde militaire macht en blijven een van de belangrijkste financiële en technologische centra ter wereld. Maar de economische, industriële en politieke fundamenten waarop de Amerikaanse hegemonie rustte, zijn veel minder stevig dan enkele decennia geleden. Tegelijkertijd is China uitgegroeid van de werkplaats van de wereld tot een industriële, technologische en financiële grootmacht. Rusland heeft zich ondanks zware westerse sancties niet laten isoleren. Landen in Azië, Afrika, Latijns-Amerika en het Midden-Oosten zoeken steeds nadrukkelijker naar een grotere strategische autonomie.

Daarmee ontstaat een fundamentele vraag: kan het Westen zich aanpassen aan een wereld waarin het niet langer vanzelfsprekend de regels bepaalt? Over die vraag spreekt de Noorse politicoloog en professor Glenn Diesen met Einar Tangen, senior fellow bij het Taihe Institute en commentator over China, geopolitiek en de internationale economie. Hun gesprek gaat veel verder dan de verhouding tussen Washington en Peking. Het raakt aan de fundamenten van het Amerikaanse economische model, de de-industrialisering van het Westen, de oorlog in Oekraïne, de toekomst van Europa, Donald Trump, het Amerikaanse politieke systeem en de overgang van een unipolaire naar een multipolaire wereldorde. De centrale gedachte van Tangen is even eenvoudig als ingrijpend: het probleem is niet dat de multipolaire wereld eraan komt. Hij is er al.

De constructieve rol van de RIC-as: Rusland, Iran en China

Terwijl het Westen zich voornamelijk richt op inperking en sancties, heeft de zogenaamde RIC-as (Rusland, Iran en China) zich ontwikkeld tot een constructieve kern van stabiliteit en alternatieve ontwikkeling. Deze drie landen vullen elkaar op een complementaire manier aan en bieden een tastbaar tegengewicht tegen de weaponisering van de wereldeconomie door Washington.

RIC

Rusland fungeert als de garantie voor Euraziatische veiligheid en een onmisbare pijler van mondiale energie- en voedselzekerheid. Daarnaast is Moskou een drijvende kracht achter de dedollarisatie en de ontwikkeling van alternatieve financiële systemen (zoals binnen BRICS en de SCO), die landen beschermen tegen willekeurige westerse sancties.

Iran is een cruciale geopolitieke spil in het Midden-Oosten en een schoolvoorbeeld van veerkracht. Ondanks decennia van zware, illegale sancties, heeft Teheran zijn economie gediversifieerd, is het volwaardig lid geworden van de Shanghai Cooperation Organisation (SCO), en speelt het een sleutelrol in de International North-South Transport Corridor (INSTC). Deze route verbindt Rusland en India via Iran, en omzeilt daarmee traditionele, door het Westen gecontroleerde maritieme knelpunten.

China levert de economische en technologische motor. Via het Belt and Road Initiative (BRI) en de Global Security/Development Initiatives biedt Peking infrastructuur, kapitaal en technologie aan het mondiale Zuiden, zonder de vernederende politieke conditionering of 'beschavingslessen' die vaak aan westerse hulp of leningen van het IMF en de Wereldbank zijn verbonden.

Samen vormen deze drie mogendheden geen louter 'anti-westers' blok, zoals westerse media vaak beweren, maar veeleer een pro-multipolair samenwerkingsverband. Zij normaliseren de handel in lokale valuta's, respecteren elkaars soevereiniteit en kernbelangen, en tonen aan dat er een functionerend, vreedzaam alternatief bestaat voor de unipolaire 'rules-based order'. Voor landen in Azië, Afrika en Latijns-Amerika is deze RIC-synergie geen ideologische keuze, maar een pragmatische weg naar strategische autonomie.

Deel I

Van Amerikaanse hegemonie naar ‘managed coexistence’

Toen geschiedenis plaatsmaakte voor ideologie

Glenn Diesen begint met een vaststelling die essentieel is om de huidige internationale spanningen te begrijpen. Tijdens de Koude Oorlog werd internationale politiek in belangrijke mate beschouwd als een botsing van belangen. Staten hadden veiligheidsbelangen, geografische beperkingen, economische belangen en historische ervaringen. Diplomatie bestond erin die soms tegenstrijdige belangen te herkennen en vervolgens te zoeken naar een modus vivendi. Na het einde van de Koude Oorlog veranderde dat discours.

Volgens Diesen werden geopolitieke conflicten steeds meer voorgesteld als morele confrontaties: democratie tegen autocratie, goed tegen kwaad, vrijheid tegen onderdrukking. Dat lijkt op het eerste gezicht nobel, maar het heeft een gevaarlijk gevolg. Wanneer een tegenstander niet langer iemand is met andere belangen, maar wordt voorgesteld als de vertegenwoordiger van het kwaad, wordt een compromis bijna immoreel. Onderhandelen wordt dan gemakkelijk gelijkgesteld met toegeven of zelfs met verraad. Diesen contrasteert dit met iemand als Henry Kissinger. Men kan veel kritiek hebben op Kissinger, maar zijn geopolitieke analyses waren bijna altijd diep geworteld in geschiedenis. Staten handelden volgens hem niet in een historisch vacuüm.

Volgens Diesen is juist dat historische bewustzijn in de westerse politiek grotendeels verdwenen. De opkomst van China wordt daardoor niet eenvoudig gezien als de terugkeer van een grote Aziatische macht, maar als een ideologische bedreiging van de liberale democratie. Hetzelfde mechanisme wordt toegepast op Rusland. En zodra dat uitgangspunt wordt aanvaard, volgt de conclusie bijna automatisch: het Westen moet zich verdedigen tegen deze bedreiging. De ruimte voor compromissen verdwijnt.

Een andere mogelijkheid

Yin & Yang

Tangen stelt daar een ander concept tegenover: managed coexistence — beheerde co-existentie. Daarmee bedoelt hij geen vriendschap tussen China en de Verenigde Staten. Evenmin betekent het dat beide landen hun fundamentele meningsverschillen moeten opgeven. Het betekent dat zij moeten leren samenleven ondanks die verschillen. Volgens Tangen is dat geen idealistisch voorstel. Integendeel: het is een erkenning van de werkelijkheid.

De wereld is niet zwart-wit. Tangen verwijst daarbij naar het Chinese concept van yin en yang: in het witte bevindt zich zwart en in het zwarte wit. Absolute zuiverheid bestaat niet, zeker niet wanneer het om menselijke samenlevingen gaat. Hetzelfde geldt voor internationale politiek. Landen kunnen tegelijkertijd concurrenten en handelspartners zijn. Zij kunnen op bepaalde gebieden samenwerken en op andere gebieden botsende belangen hebben. Het probleem ontstaat wanneer iedere internationale verhouding wordt teruggebracht tot de vraag: Wie heeft gelijk en wie heeft ongelijk? Want wie ervan overtuigd is absoluut gelijk te hebben, ziet de ander automatisch als iemand die ongelijk heeft. En dan wordt diplomatie bijna onmogelijk.

Veiligheid kan niet worden gebouwd op de onveiligheid van anderen

Tangen formuleert vervolgens een beginsel dat centraal staat in de Chinese visie op internationale betrekkingen zoals hij die interpreteert: De veiligheid van één land kan niet duurzaam gebaseerd zijn op de onveiligheid van een ander land. Dat betekent niet dat landen hun defensie moeten opgeven. Het betekent dat een veiligheidsorde waarin de ene partij zich steeds veiliger voelt doordat de andere zich steeds meer bedreigd voelt uiteindelijk instabiel wordt. Hetzelfde geldt volgens hem voor economische ontwikkeling.

Ieder land moet het recht hebben zijn eigen ontwikkelingsmodel te kiezen. Het Westen kan niet verwachten dat alle landen uiteindelijk hetzelfde politieke, economische en maatschappelijke systeem zullen aannemen. China stelt volgens Tangen daarom niet dat het Chinese model universeel moet worden. Het zegt veeleer: verschillende beschavingen en politieke systemen moeten naast elkaar kunnen bestaan. Dat is wezenlijk anders dan de overtuiging dat er uiteindelijk slechts één legitiem model van moderniteit bestaat.

De erfenis van het kolonialisme

Hier verbindt Tangen de huidige wereldorde met het koloniale verleden. Veel moderne staten, vooral in Afrika en het Midden-Oosten, erfden grenzen die door Europese koloniale machten werden getrokken. Die grenzen weerspiegelden lang niet altijd lokale etnische, culturele of historische werkelijkheden. Volgens Tangen ging het soms verder dan willekeur. Koloniale structuren konden zo worden georganiseerd dat minderheden afhankelijk werden van de voormalige koloniale macht om hun positie te behouden.

Daaruit ontstonden cliëntstaten en langdurige interne spanningen. De gedachte dat westerse mogendheden vervolgens als neutrale scheidsrechters optreden in conflicten die gedeeltelijk uit die historische structuren voortkomen, beschouwt hij als problematisch. China presenteert zich daarentegen als voorstander van soevereiniteit en niet-inmenging. Tangen benadrukt overigens dat dit niet betekent dat China perfect is. China heeft zijn eigen problemen en belangen. Zijn argument is eenvoudiger: een wereld waarin verschillende machtscentra bestaan, vereist andere spelregels dan een wereld waarin één staat verwacht dat anderen zijn normen volgen.

De Verenigde Staten en het uitzonderingsdenken

Trump hubrisDaarmee komt het gesprek bij het Amerikaanse exceptionalisme. Na de Tweede Wereldoorlog speelden de Verenigde Staten een cruciale rol bij de oprichting van internationale instellingen, waaronder de Verenigde Naties. Maar volgens Tangen ontstond geleidelijk een paradox. Washington hielp een internationale rechtsorde opbouwen, maar ging zichzelf steeds vaker beschouwen als een land dat niet volledig aan dezelfde beperkingen onderworpen hoefde te zijn. De Verenigde Staten zagen zichzelf niet eenvoudig als één macht onder andere machten, maar als de bewaker van de internationale orde. 

Het verschil lijkt subtiel, maar is fundamenteel. Wie zichzelf als bewaker van de orde beschouwt, kan gemakkelijk gaan geloven dat handelingen die voor anderen verboden zijn voor hemzelf noodzakelijk of gerechtvaardigd zijn. Tangen ziet daarin een vorm van hoogmoed. Het gevolg is volgens hem dat landen buiten het Westen steeds minder bereid zijn de Amerikaanse interpretatie van de internationale orde zonder meer te accepteren.

De wereld is al multipolair

Daarom verwerpt Tangen de veelgehoorde formulering dat de wereld “multipolair aan het worden is”. Volgens hem is die overgang grotendeels al gebeurd.

  • China is een industriële grootmacht.
  • India groeit snel.
  • Rusland blijft een belangrijke militaire en grondstoffenmacht.
  • De Golfstaten voeren steeds zelfstandiger beleid.
  • Afrikaanse staten zoeken alternatieve investeerders.
  • BRICS is uitgebreid.
  • En landen die vroeger vrijwel automatisch aansluiting zochten bij Washington, proberen tegenwoordig relaties met verschillende machtscentra tegelijk te onderhouden.
  • De multipolaire wereld is volgens Tangen dus geen toekomstscenario. 

Rusland blijft een onmisbare kracht voor Euraziatische stabiliteit, energie- en voedselzekerheid, en werkt steeds nauwer samen met China en Iran om alternatieve, sanctiebestendige handelsroutes te ontwikkelen. Het is de huidige realiteit waarmee Washington en Europa nog onvoldoende hebben leren omgaan. 

DEEL II

Hoe het Westen zijn industriële fundamenten uit handen gaf

De paradox van de globalisering

HuaweiHet tweede grote thema van het gesprek is economisch. En hier wordt Tangens analyse bijzonder interessant. Gedurende tientallen jaren werd globalisering in het Westen voorgesteld als een rationele internationale arbeidsverdeling. De Verenigde Staten en West-Europa zouden zich concentreren op activiteiten met een hoge toegevoegde waarde: onderzoek, ontwerp, financiële diensten, intellectuele eigendom, software en geavanceerde technologie. 

China en andere lagelonenlanden zouden de eenvoudige productie uitvoeren. Het klassieke voorbeeld is de smartphone. Het ontwerp, de software, de patenten en de financiering zouden Amerikaans blijven, terwijl Chinese arbeiders het toestel assembleerden. Dat leek voor het Westen buitengewoon aantrekkelijk. Maar er zat een fundamentele denkfout in het model. China bleef niet eeuwig assemblagewerk verrichten. Het leerde en was geduldig.

Van assemblage naar innovatie

Door tientallen jaren lang industriële productie op enorme schaal te organiseren, bouwde China niet alleen fabrieken. Het bouwde complete industriële ecosystemen. Chinese ondernemingen leerden productieprocessen beheersen, machines bouwen, logistieke ketens organiseren, werknemers opleiden, leveranciersnetwerken ontwikkelen en uiteindelijk zelf producten ontwerpen. China klom stap voor stap omhoog in de waardeketen. Het land dat oorspronkelijk de westerse smartphone assembleerde, werd uiteindelijk in staat zelf smartphones, telecommunicatieapparatuur, elektrische auto's, batterijen, zonnepanelen, drones en steeds geavanceerdere industriële machines te produceren. Daarmee stortte de oorspronkelijke westerse arbeidsverdeling gedeeltelijk in. Want het model werkte alleen zolang het Westen de kennis bezat en China de goedkope handen leverde. Wat gebeurt er wanneer China zowel de handen als de kennis bezit?

De vergeten waarde van schroeven en bouten

Bolts & nutsTangen legt vervolgens de vinger op een vaak onderschat aspect van industrialisering. Westerse bedrijven besteedden niet alleen eenvoudige assemblage uit. Complete productieketens verdwenen. Schroeven - Moeren - Bouten - Kunststoffen - Basischemicaliën - Elektronische onderdelen - Machineonderdelen. Op papier zijn dit activiteiten met lage winstmarges. Voor een financieel georiënteerde onderneming lijkt het logisch ze af te stoten. 

Maar samen vormen ze het industriële ecosysteem waaruit nieuwe producten ontstaan. Een Chinese ingenieur die een prototype wil bouwen, kan in veel industriële regio's binnen korte afstand tientallen leveranciers vinden. Hij kan onderdelen laten aanpassen, verschillende materialen testen en onmiddellijk met producenten overleggen. Een Amerikaanse of Europese ingenieur moet dezelfde componenten misschien aan de andere kant van de wereld bestellen. Dat verschil beïnvloedt niet alleen de kostprijs. Het beïnvloedt de snelheid van innovatie.

Financiële logica tegenover industriële logica

Volgens Tangen ligt daar een van de fundamentele zwakheden van het Amerikaanse economische model. Het bedrijfsleven werd steeds sterker gedomineerd door financiële maatstaven. Managers worden beloond voor rendement. Bestuurders moeten aandeelhouderswaarde maximaliseren. Kosten moeten omlaag. Kapitaal moet naar de activiteiten met het hoogste rendement. Vanuit die logica is het volkomen rationeel een Amerikaanse fabriek te sluiten en de productie naar China, Vietnam of de Filipijnen te verplaatsen wanneer daar goedkoper geproduceerd kan worden.

Stock market

  • Het eerste jaar ziet het resultaat er uitstekend uit.
  • De kosten dalen. De winst stijgt. 
  • De aandelenkoers reageert positief.
  • De bestuurders ontvangen hun bonussen.
  • Maar wat verschijnt niet onmiddellijk op de balans?
  • De kennis die uit de onderneming verdwijnt.
  • De vakarbeiders die vertrekken.
  • De leveranciers die failliet gaan.
  • De technische opleidingen die verdwijnen.
  • De lokale gemeenschappen die verarmen.
  • De innovatiecapaciteit die langzaam wordt uitgehold.
  • Het bedrijf wint op korte termijn.
  • De samenleving verliest op lange termijn.

De vervreemding tussen onderneming en samenleving

Daarmee ontstond volgens Tangen een diepe vervreemding. De mensen die grote ondernemingen besturen, zijn steeds minder verbonden met de gemeenschappen waarin die ondernemingen ooit geworteld waren. De fabriek kan in Ohio staan, het management in New York, de aandeelhouders over de hele wereld en de productie in Guangdong. Voor de financiële bestuurder is de fabriek een regel in een spreadsheet. Voor de plaatselijke bevolking is zij het economische fundament van een gemeenschap. Dat verschil verklaart volgens Tangen een deel van de politieke woede in de Verenigde Staten. De arbeider kreeg tientallen jaren te horen dat globalisering uiteindelijk iedereen rijker zou maken. Maar wanneer zijn fabriek sluit, zijn stad achteruitgaat en zijn kinderen slechtere economische vooruitzichten krijgen, terwijl Wall Street recordwinsten boekt, ervaart hij die globalisering heel anders. Donald Trump begreep die woede.

Waarom vrijhandel aantrekkelijk was voor Amerika

Diesen plaatst het argument vervolgens in een breder geopolitiek kader. Vrijhandel is bijzonder aantrekkelijk wanneer je zelf de belangrijkste onderdelen van het systeem beheerst. Wie beschikte over de belangrijkste technologie? De Verenigde Staten. Wie beheerste de belangrijkste financiële markten? De Verenigde Staten. Welke munt domineerde de wereldhandel? De dollar. Wie controleerde een groot deel van de mondiale maritieme veiligheidsarchitectuur? De Amerikaanse marine. Wie bezat enkele van de belangrijkste banken, technologiebedrijven en intellectuele eigendomsrechten? Opnieuw de Verenigde Staten.

In zo'n wereld is vrijhandel geen bedreiging voor de dominante macht. Vrijhandel versterkt haar positie. Maar zodra andere landen technologisch en industrieel beginnen te concurreren, verandert de situatie. Dan ontstaat de paradox die we vandaag zien. Het land dat decennialang vrijhandel predikte, grijpt steeds vaker naar tarieven, exportcontroles, sancties, subsidies en industriële politiek.

Van vrijemarktkapitalisme naar staatskapitalisme

Sanctions

Tangen wijst op de ironie. Decennialang werd China in het Westen bekritiseerd vanwege staatskapitalisme. De overheid zou te veel ingrijpen. De staat zou strategische sectoren beschermen. Subsidies zouden de markt verstoren. Maar nu de Amerikaanse industriële positie wordt bedreigd, grijpt Washington zelf steeds nadrukkelijker in de economie in. Strategische ondernemingen worden ondersteund. Halfgeleiders worden gesubsidieerd. Export van hoogwaardige technologie naar China wordt beperkt. Overheden proberen productieketens politiek te sturen. De ideologische grens tussen “vrije markt” en “staatskapitalisme” wordt daardoor steeds vager. Voor Tangen is dat symptomatisch. Wanneer de regels een machtspositie ondersteunen, worden ze voorgesteld als universele principes. Wanneer dezelfde regels die machtspositie beginnen te bedreigen, worden ze aangepast.

Japan als waarschuwing voor China

China heeft volgens Tangen bovendien goed gekeken naar wat in de jaren tachtig met Japan gebeurde. Japan was toen de grote economische uitdager van de Verenigde Staten. Het land beschikte over enorme industriële capaciteiten en leek in verschillende sectoren technologisch voorop te lopen. Onder Amerikaanse druk kwam in 1985 het Plaza-akkoord tot stand, waarna de yen sterk apprecieerde. Tangen ziet de daaropvolgende Japanse stagnatie als een waarschuwing. 

China wil geen overeenkomst accepteren die zijn economische opmars structureel afremt om de Amerikaanse dominantie te behouden. Daarom kunnen Washington en Peking volgens hem alleen tot een duurzame verhouding komen wanneer de Verenigde Staten China niet langer behandelen als een land dat in een ondergeschikte positie moet blijven. Dat brengt ons opnieuw bij het concept van managed coexistence.

  • Niet capitulatie.
  • Niet vriendschap.
  • Niet hegemonie.
  • Maar gereguleerde concurrentie tussen grootmachten die erkennen dat geen van beide eenvoudig kan verdwijnen.

DEEL III

Europa zonder economisch model, Amerika zonder richting

De Europese crisis

Diesen verlegt vervolgens de aandacht naar Europa. De Europese situatie is volgens hem misschien nog problematischer dan de Amerikaanse. Het oude Europese economische model steunde in belangrijke mate op een combinatie van:

  • Von der Leyen & Merkelgoedkope energie,
  • toegang tot grote exportmarkten,
  • hoogwaardige industriële productie,
  • Amerikaanse militaire bescherming, en een open wereldeconomie.
  • Vooral Duitsland bouwde een krachtig industrieel model rond goedkope energie en competitieve export.
  • Maar verschillende pijlers van dat model zijn weggevallen.
  • De economische relatie met Rusland is ingestort.
  • Energie is veel duurder geworden.
  • China is niet langer alleen afzetmarkt, maar steeds nadrukkelijker concurrent.
  • En tegenover de Verenigde Staten bevindt Europa zich in een steeds afhankelijkere positie. Diesen verwijst naar uitspraken van Europese leiders die inmiddels zelf erkennen dat het oude model niet meer functioneert. De vraag is wat ervoor in de plaats komt.

Wordt China het nieuwe Rusland?

Daarin schuilt volgens Diesen een groot gevaar. Wanneer samenlevingen economisch achteruitgaan, ontstaat de politieke behoefte om iemand verantwoordelijk te stellen. Europa zou zijn structurele economische problemen daarom steeds meer aan China kunnen toeschrijven. De redenering wordt dan: vroeger waren wij welvarend en industrieel dominant; nu zijn wij dat minder; China is ondertussen sterker geworden; dus China heeft onze welvaart afgenomen. 

Volgens Diesen dreigt China daarmee de rol te krijgen die Rusland al jaren in het Europese politieke discours vervult: de externe macht waaraan interne problemen kunnen worden toegeschreven. Maar daarmee wordt de structurele vraag niet opgelost. Waarom werd de Europese industrie afhankelijk van dure externe energie? Waarom werd productie uitbesteed? Waarom investeerde Europa onvoldoende in bepaalde strategische technologieën? Waarom werd de eigen veiligheid zo sterk gekoppeld aan Washington? En vooral: wat is het Europese economische model voor de komende twintig jaar?

De grenzen van arrogantie

Congo 1920

Tangen noemt dit uiteindelijk “de grenzen van arrogantie”. Eeuwenlang konden Europese staten hun eigen normen, politieke systemen en economische belangen aan grote delen van de wereld opleggen. Daarbij ontstond een rechtvaardigend verhaal. Kolonialisme werd niet uitsluitend voorgesteld als verovering, maar als beschavingsmissie. Tangen verwerpt dat narratief. Hij verwijst naar India, dat vóór de volledige Britse dominantie een veel groter aandeel in de wereldeconomie had dan na het einde van de koloniale periode.

Het argument dat Groot-Brittannië India spoorwegen, bestuur en beschaving bracht, beschouwt hij daarom als een zeer eenzijdige interpretatie van de geschiedenis. De infrastructuur diende immers ook — en vaak in de eerste plaats — de economische behoeften van het imperium. Volgens Tangen speelt dezelfde psychologische structuur vandaag nog steeds. Westerse samenlevingen zijn bang dat landen die vroeger werden gedomineerd, zich op dezelfde manier zullen gedragen zodra zij machtiger worden. De angst voor China is daardoor volgens hem gedeeltelijk een projectie van het eigen historische gedrag.

Amerika als imperium

Diesen vraagt vervolgens rechtstreeks of de Verenigde Staten terugkeren naar een klassiek imperiaal model. Tangen antwoordt provocerend: Amerika hoeft niet terug te keren naar het imperium, omdat het volgens hem nooit werkelijk is opgehouden een imperium te zijn. Hij wijst op de territoriale expansie van de Verenigde Staten vanaf de Atlantische kust richting de Stille Oceaan. Die expansie creëerde enorme mogelijkheden voor Europese kolonisten, maar ging gepaard met verdrijving en vernietiging van inheemse bevolkingen.

Diesen verbindt dat met de beroemde frontier thesis van de Amerikaanse historicus Frederick Jackson Turner. Volgens Turner werd de Amerikaanse identiteit gevormd aan de steeds opschuivende grens. Daar ontstonden individualisme, zelfredzaamheid, sociale mobiliteit en innovatie. Maar dezelfde frontier was tegelijkertijd gewelddadig. Steeds wanneer de grens werd bereikt, moest een nieuwe frontier worden gevonden. Na het bereiken van de Stille Oceaan volgde de expansie buiten het Noord-Amerikaanse continent. Diesen vraagt zich daarom af of de permanente zoektocht naar een nieuwe grens niet diep verankerd zit in de Amerikaanse politieke cultuur.

De Monroe doctrine keert terug

Volgens Tangen zien we daarvan vandaag opnieuw elementen. Wanneer Washington nadrukkelijker aanspraak maakt op dominantie in het westelijk halfrond, grijpt het in feite terug op de logica van de Monroe doctrine. Venezuela, Panama, Groenland en andere strategische gebieden worden dan niet uitsluitend bekeken als soevereine politieke entiteiten, maar als onderdelen van een Amerikaanse veiligheidssfeer. Dat botst echter met een fundamentele verandering in Latijns-Amerika. De regio herinnert zich Amerikaanse interventies, coups, economische druk en steun aan bevriende regimes. Landen beschikken bovendien over alternatieven.

  • China is een grote handelspartner.
  • Rusland heeft diplomatieke en militaire relaties.
  • BRICS biedt nieuwe mogelijkheden.

De wereld waarin Washington zonder ernstige concurrentie de politieke orde van het westelijk halfrond kon bepalen, bestaat daardoor niet meer in dezelfde vorm. Rusland, China en Iran bieden diplomatieke, economische en veiligheidssamenwerking die Latijns-Amerikaanse en Midden-Oosterse staten in staat stelt hun afhankelijkheid van Washington te verminderen.

Oekraïne en NAVO

Het gesprek wordt nog scherper wanneer Oekraïne ter sprake komt. Diesen en Tangen stellen dat westerse beleidsmakers al lang vóór 2022 wisten dat verdere NAVO uitbreiding richting Oekraïne door Moskou als een ernstige veiligheidsdreiging zou worden beschouwd. Diesen verwijst naar jarenlange waarschuwingen van diplomaten, inlichtingendeskundigen en academici. Hun stelling is niet dat daarmee de Russische invasie automatisch wordt gerechtvaardigd. Hun punt is dat de veiligheidsreactie van Rusland voorspelbaar was.

Tangen verwijst eveneens naar de discussie rond de diplomatieke contacten tijdens de Duitse hereniging en de latere uitbreiding van de NAVO. Hij beschouwt de voortzetting en uitbreiding van het bondgenootschap na het verdwijnen van het Warschaupact als een historische beslissing met verstrekkende gevolgen. Ook de toespraak van Vladimir Poetin op de Veiligheidsconferentie van München in 2007 ziet hij als een belangrijk waarschuwingsmoment. Daar maakte Rusland duidelijk dat het zich verzette tegen een door één macht gedomineerde wereldorde. Volgens Tangen en Diesen werd die waarschuwing onvoldoende serieus genomen.

Trump: oorzaak of symptoom?

Vervolgens komt Donald Trump centraal te staan. Diesen erkent dat Trumps oorspronkelijke politieke boodschap elementen bevatte die aantrekkelijk waren voor Amerikanen die genoeg hadden van de bestaande orde.

  • Herindustrialisering.
  • Een einde aan eindeloze oorlogen.
  • Diplomatie met tegenstanders.
  • America First als concentratie op de binnenlandse wederopbouw in plaats van permanente buitenlandse interventies.

Diesen zag daarin aanvankelijk de mogelijkheid van een correctie. Een grootmacht hoeft niet bevriend te zijn met China, Rusland of Noord-Korea om ermee te praten. Dat is immers precies waarvoor diplomatie bestaat. Eerst probeer je belangen te harmoniseren. Wanneer dat niet lukt, probeer je de concurrentie te beheersen. Pas wanneer ook dat onmogelijk blijkt, ontstaat een open conflict. Volgens Diesen is in het hedendaagse Westen echter vaak het omgekeerde gebeurd. Onderhandelingen worden snel “appeasement” genoemd. Compromissen worden beschouwd als zwakte. En rivalen worden moreel zo absoluut veroordeeld dat onderhandelen politiek verdacht wordt.

De teleurstelling in Trump

Diesen stelt dat Trump uiteindelijk veel van zijn oorspronkelijke beloftes heeft verlaten. Hij beloofde oorlogen te beëindigen, maar raakte opnieuw betrokken bij buitenlandse confrontaties. Hij beloofde herindustrialisering, maar het is uiterst moeilijk gebleken om tientallen jaren van industriële afbraak in korte tijd ongedaan te maken. Volgens Diesen maakte Trump bovendien een fundamentele politieke vergissing. Hij dacht dat zijn kiezers vooral hem persoonlijk steunden. Maar een belangrijk deel van hen steunde vooral zijn oorspronkelijke programma. Wanneer hij daarvan afwijkt, is hun loyaliteit niet gegarandeerd. Tangen gaat nog verder. Volgens hem is Trump niet de oorzaak van de Amerikaanse crisis. Trump is een symptoom ervan.

Een land dat zichzelf de-industrialiseerde

De diepere oorzaak ligt volgens Tangen in de beslissingen die Amerika zelf nam. Het land gaf industrieën op die essentieel waren voor zijn economische macht. Schroeven, bouten, chemicaliën en kunststoffen lijken banaal. Maar zonder die basiselementen bestaat geen geavanceerde industrie. Wanneer alle componenten duizenden kilometers verder worden geproduceerd, verliest een land uiteindelijk meer dan banen.

  • Het verliest technische kennis.
  • Het verliest leveranciers.
  • Het verliest productie-ervaring.
  • Het verliest de wisselwerking tussen ontwerp en fabricage.
  • En uiteindelijk verliest het een deel van zijn vermogen om nieuwe producten te ontwikkelen.
  • China heeft juist het tegenovergestelde gedaan.
  • Het bouwde complete industriële clusters waarin tientallen leveranciers dicht bij elkaar opereren.
  • Daardoor kunnen Chinese bedrijven snel prototypes maken, aanpassen en opschalen.

Volgens Tangen is dat een van de grote structurele voordelen die het Westen jarenlang heeft onderschat.

Waarom sommige Chinezen Trump graag zien

Trump daddyTangen maakt vervolgens een opvallende opmerking. Veel hooggeplaatste Chinezen die hij kent, zouden volgens hem vanuit strikt Chinees strategisch perspectief helemaal niet ongelukkig zijn met Trump. Niet omdat zij oorlog of instabiliteit wensen. Integendeel. Maar omdat Trump volgens hen iets doet wat Chinese propaganda nooit even overtuigend zou kunnen bereiken: hij maakt de tegenstrijdigheden van het Amerikaanse systeem zichtbaar.

Wanneer Washington vrijhandel predikt maar tarieven invoert zodra concurrenten te sterk worden; wanneer het staatskapitalisme veroordeelt maar zelf bedrijven ondersteunt; wanneer het soevereiniteit verdedigt maar tegelijkertijd andere landen onder druk zet; dan wordt het voor Peking gemakkelijker om landen in het mondiale Zuiden ervan te overtuigen dat de Amerikaanse “rules-based order” niet altijd universeel wordt toegepast. Vanuit dat perspectief kan Trump onbedoeld de Chinese positie versterken.

Maar de Democraten bieden evenmin een fundamenteel alternatief

Tangen verwacht echter niet dat een overwinning van de Democratische Partij automatisch een oplossing zou brengen. Daarvoor zit het probleem volgens hem te diep.

  • Amerikaanse politieke partijen zijn steeds meer verbonden geraakt met gevestigde economische belangen.
  • Kandidaten vertegenwoordigen daardoor minder vaak fundamenteel nieuwe ideeën.
  • De partijstructuren bepalen in hoge mate welke standpunten politiek acceptabel zijn.

Dat leidt volgens Tangen tot een leiderschapscrisis. De Democraten waren historisch sterk verbonden met arbeiders en vakbonden, maar een aanzienlijk deel van die traditionele achterban is naar Trump en de Republikeinen overgelopen. Tegelijkertijd zijn beide partijen sterk afhankelijk van grote donoren, bedrijven en georganiseerde belangengroepen. Daardoor verandert een verkiezing wel de partij die regeert, maar niet noodzakelijk de onderliggende machtsstructuren.

Dat leidt tot de misschien belangrijkste slotzin van het hele gesprek: “Changing parties does not change the problems.”

Diesen deelt die bezorgdheid. Zelfs wanneer de Republikeinen zwaar zouden worden afgestraft, lost dat de fundamentele Amerikaanse crisis niet op. Integendeel. Een verzwakkende grootmacht wordt niet automatisch vreedzamer. Dat is misschien wel een van de gevaarlijkste misverstanden in het debat over multipolariteit. Sommigen veronderstellen dat een zwakker Amerika vanzelf zijn nieuwe positie zal accepteren. De geschiedenis biedt daarvoor geen garantie. Een macht die haar relatieve positie ziet afnemen, kan juist agressiever worden. Politici kunnen proberen een externe vijand verantwoordelijk te stellen voor binnenlandse achteruitgang. Dan wordt niet gevraagd: Welke fouten hebben wij zelf gemaakt? maar: Wie heeft onze vroegere grootheid van ons afgenomen? China kan in zo'n situatie het ideale doelwit worden.

Het werkelijke gevaar van de transitie

BRICS

Daarom is Tangens concept van beheerde co-existentie belangrijker dan het op het eerste gezicht lijkt. De keuze is niet eenvoudig tussen: Amerikaanse hegemonie of Chinese hegemonie. Een werkelijk multipolaire wereld vereist regels waardoor verschillende machtscentra naast elkaar kunnen bestaan. 

China hoeft de Verenigde Staten niet te verslaan. De Verenigde Staten hoeven China niet te onderwerpen. Europa hoeft niet te kiezen tussen volledige afhankelijkheid van Washington of onderwerping aan Peking. Maar daarvoor moeten staten opnieuw leren wat klassieke diplomatie betekende: erkennen dat andere landen legitieme belangen hebben, ook wanneer men die belangen niet deelt.

De paradox van de nieuwe wereldorde

Daarmee komen Diesen en Tangen uiteindelijk bij een opmerkelijke paradox. De liberale internationale orde werd gebouwd rond het idee dat economische verwevenheid oorlog minder waarschijnlijk zou maken. Maar nu economische macht verschuift, wordt juist die verwevenheid steeds vaker als een veiligheidsrisico beschouwd. 

  • Handel wordt “afhankelijkheid”.
  • Technologie wordt een strategisch wapen.
  • Energie wordt geopolitiek.
  • Financiële infrastructuur wordt een sanctie-instrument.
  • Productieketens worden onderdeel van nationale veiligheid.
  • De wereldeconomie wordt daardoor opnieuw gepolitiseerd.
  • En precies daarom is de overgang naar multipolariteit zo gevaarlijk.
  • De oude regels functioneren steeds minder.
  • Nieuwe regels bestaan nog niet.

Amerika kan China niet terugduwen naar 1995

Misschien is dit de fundamentele werkelijkheid waarmee Washington uiteindelijk rekening zal moeten houden. China kan niet worden teruggebracht naar de positie die het dertig jaar geleden innam. Het beschikt inmiddels over een gigantische industriële infrastructuur, wetenschappelijke instellingen, technologische ondernemingen, infrastructuurnetwerken en een enorme binnenlandse markt. Zelfs zware Amerikaanse druk kan die ontwikkeling vertragen, maar moeilijk volledig terugdraaien.

Omgekeerd zullen ook de Verenigde Staten niet verdwijnen. Amerika blijft beschikken over enorme economische, technologische, militaire en culturele macht. Daarom is een strategie gebaseerd op de volledige nederlaag van één van beide partijen buitengewoon gevaarlijk. De wereld heeft geen behoefte aan een Amerikaanse overwinning op China. Evenmin heeft zij behoefte aan een Chinese overwinning op Amerika. Zij heeft behoefte aan een systeem waarin beide kunnen bestaan zonder elkaar voortdurend voor een existentiële keuze te stellen.

En Europa?

Voor Europa is de uitdaging misschien nog groter. Het continent moet opnieuw bepalen wat zijn eigen belangen zijn. Niet de Amerikaanse belangen. Niet de Chinese. Niet de Russische. De Europese. Dat vereist een eigen energiebeleid, een eigen industriële strategie, technologische capaciteit en uiteindelijk ook een zelfstandiger buitenlands beleid. Wanneer Europa uitsluitend probeert de oude wereldorde te herstellen, zal het steeds verder achterop raken. Want die wereldorde kan niet eenvoudig worden hersteld. De machtsverhoudingen die haar mogelijk maakten, bestaan niet meer.

Conclusie: niet de opkomst van China, maar het onvermogen zich aan te passen

Het gesprek tussen Glenn Diesen en Einar Tangen gaat uiteindelijk niet werkelijk over de vraag of China goed of slecht is, of Amerika goed of slecht. Het gaat over iets fundamentelers. Wat gebeurt er wanneer een wereldmacht niet langer in staat is de wereldorde alleen te organiseren, maar politiek en psychologisch nog niet klaar is om die werkelijkheid te accepteren? Daar bevindt de internationale politiek zich vandaag. 

  • Het Amerikaanse economische model dat productie naar het buitenland verplaatste en tegelijkertijd veronderstelde dat technologische en financiële dominantie eeuwig behouden kon blijven, loopt tegen zijn grenzen.
  • Het Europese model van goedkope energie, industriële export en Amerikaanse strategische bescherming bevindt zich eveneens in een crisis.
  • China is ondertussen geen goedkope assemblagefabriek meer, maar een hoogstaande industriële en technologische concurrent.
  • Het mondiale Zuiden accepteert minder vanzelfsprekend westerse politieke voorwaarden.

De wereld is daardoor niet langer unipolair. Maar zij beschikt evenmin over een stabiele multipolaire orde. We bevinden ons in de gevaarlijke ruimte daartussen. En juist in zo'n overgangsperiode wordt diplomatie belangrijker, niet minder belangrijk. De belangrijkste boodschap van Tangen kan daarom misschien als volgt worden samengevat: Een duurzame internationale orde ontstaat niet wanneer één beschaving alle andere overtuigt van haar gelijk. Zij ontstaat wanneer staten sterk genoeg zijn om hun belangen te verdedigen, maar verstandig genoeg om te erkennen dat ook anderen zullen blijven bestaan. Dat is geen idealisme. Dat is beheerde co-existentie. En misschien is dat, in een wereld met kernwapens, niet alleen een politieke keuze maar een noodzaak.